Liftkaart
Wet op het houden van honden
Hoofdstuk 2. Honden beveiligen
§ 4.1 Algemene regels voor het vastzetten van honden. Voorwaarden voor het loslaten van honden
Honden mogen alleen loslopen als ze
a) op zorgvuldige wijze wordt gevolgd en gecontroleerd, of
b) op een veilige manier is omheind en zich op een plaats bevindt die niet toegankelijk is voor het openbaar verkeer.
Iedereen die een hond aangelijnd houdt, moet de hond onder controle kunnen houden, tenzij hij wordt vergezeld door iemand die deze controle heeft.
De hondenbezitter 2 moet ervoor zorgen dat de hond niet op mensen afstormt, opspringt, hen achtervolgt of hen in de weg loopt als zij dit niet accepteren. Als een hond deze gewoonte heeft, moet hij aangelijnd blijven op plaatsen die toegankelijk zijn voor het openbare verkeer.
De eigenaar van de hond moet 2 bijzonder voorzichtig zijn als er kinderen bij zijn, 3 om contact tussen de hond en het kind te voorkomen dat het kind of de volwassenen die het kind begeleiden, uitlokken, en om te voorkomen dat kinderen bang worden. Indien nodig dient de hond aangelijnd te zijn of dicht bij de hondenbegeleider te blijven.
Honden dienen te allen tijde onder zodanig toezicht te staan dat zij zoveel mogelijk worden belet wild te drijven of te achtervolgen, 4 vgl. niettemin § 9 derde alinea.
1 Vgl. Artikel 9 en artikel 28.
2 Zie § 2, a.
3 Zie § 2, b.
4 Vgl. Wet van 29 mei 1981 nr. 38 en Wet van 19 juni 2009 nr. 100 hoofdstukken Derde.
§ 5. Verbod om met een vastgebonden hond te wandelen
De eigenaar van een hond mag zijn hond niet vastgebonden achterlaten bij de ingang van een gebouw dat open is voor het publiek of op speelplaatsen.
1 Zie § 2, a.
2 Vgl. Artikel 28.
§ 6.1 Vastzetten van de hond, bijvoorbeeld aangelijnd
In de periode van 1 april tot en met 20 augustus moet een hond aangelijnd zijn of veilig omheind of opgesloten zijn, zodat hij geen vee, schapen, geiten, pluimvee, rendieren, paarden of wild, 2 met inbegrip van eieren, nesten en roestplaatsen van wild, kan achtervolgen of schaden.
De gemeente kan voorschriften uitvaardigen die voorschrijven dat honden aangelijnd moeten zijn of dat ze op een goede manier moeten worden afgeschermd of omheind.
a) in en grenzend aan woon- en commerciële gebieden,
b) in parken, begraafplaatsen, graf- en urnenbossen, in en nabij scholen, kleuterscholen en voorzieningen voor spel, sport, spelletjes of recreatie,
c) op en nabij aangewezen wandelpaden, paden, gemarkeerde skipistes, campings en picknickplaatsen,
d) in specifiek aangewezen andere gebieden op het land, in het water of op zee die gewoonlijk worden gebruikt als wandel- en recreatiegebieden,
e) in de gehele gemeente of in delen daarvan gedurende een bepaalde periode waarin runderen, schapen, geiten of paarden gewoonlijk buiten rondlopen, of
f) onder buitengewone omstandigheden die het aanlijnen noodzakelijk maken om het wild te beschermen.
De aanlijnplicht conform de punten c en d mag niet verder worden opgelegd dan noodzakelijk en wel zodanig dat ook qua omvang en geografische spreiding voldoende rekening wordt gehouden met de overwegingen van degenen die met een loslopende hond willen reizen. Bij het opleggen van een aanlijnplicht conform de onderdelen e en f mag de aanlijnplicht uitsluitend worden ingevoerd in gebieden van de gemeente waar vee het recht heeft om te grazen en dit ook daadwerkelijk doet, dan wel waar wilde dieren die men wil beschermen, hun leefgebied hebben. De beperking die ingevolge letter f is opgelegd, moet worden beëindigd zodra de omstandigheden dit vereisen. Wanneer weilanden, natuur- en recreatiegebieden betrekking hebben op meerdere gemeenten, is het zaak dat zij hun regelgeving op elkaar afstemmen. Tegen het door de gemeente opgelegde contactverbod op grond van letter f kan beroep worden aangetekend bij de gouverneur van de provincie.
De gemeente kan verordeningen opstellen waarin staat dat honden niet zijn toegestaan op kinderdagverblijven, schoolpleinen, begraafplaatsen en urnen- en grafvelden.
1 Vgl. Artikel 9 en artikel 28.
2 Vgl. Wet van 29 mei 1981 nr. 38 en Wet van 19 juni 2009 nr. 100 hoofdstukken Derde.
§ 7.1 Bijzondere bepalingen over het vastzetten van honden op plaatsen waar tamme rendieren grazen
In gebieden waar gedomesticeerde rendieren legaal grazen, moet de hondenbezitter ervoor zorgen dat de hond het rendier niet onnodig stoort of bang maakt, zelfs niet als het dier onder controle is of vastgebonden is. De eigenaar van het rendier kan eisen dat een hond die de rendieren stoort, opgesloten wordt terwijl de rendieren voorbij hun verblijfplaats, stallen of hut worden verplaatst. De gouverneur van de provincie kan voorschriften uitvaardigen die voorschrijven dat honden aangelijnd moeten worden of op een goede manier moeten worden opgesloten of omheind, wanneer de belangen van de rendierhouderij dit vereisen.
Voor het reizen met een hond in gebieden waar tamme rendieren grazen, is ook artikel 2 van de Rendierhouderijwet van toepassing.
0 Gewijzigd bij wet van 15 juni 2007 nr. 40 (in werking getreden op 1 juli 2007 krachtens besluit van 15 juni 2007 nr. 627).
1 Vgl. Artikel 9 en artikel 28.
2 Wet van 15 juni 2007 nr. 40.
§ 8. Met name met betrekking tot hondentraining, jacht en vallen
Jachthondentraining, jachthondenwedstrijden en dressuur mogen alleen plaatsvinden met toestemming van de grondeigenaar of degene die een algemeen gebruiksrecht op het perceel heeft. Voor staatsgemeenschappen wordt toestemming verleend door de Mountain Board. 1
Voor gebruik door honden tijdens de jacht, het vangen van vallen, etc. geldt ook voor de Wildlife Act 2 § 23, vgl. § 26, en de Wet op de rendierhouderij 3 § 65.
0 Gewijzigd bij wet van 15 juni 2007 nr. 40 (in werking getreden op 1 juli 2007 krachtens besluit van 15 juni 2007 nr. 627).
1 Zie Wet van 6 juni 1975 nr. Hoofdstuk 31 Derde.
2 Wet van 29 mei 1981 nr. 38.
3 Wet van 15 juni 2007 nr. 40.
§ 9. Uitzonderingen op de veiligheidsregels
De beperking, voorzien in of krachtens de artikelen 4, 6 en 7, is niet van toepassing op:
a) hond wanneer gebruikt in de rendierhouderij,
b) getrainde veedrijver wanneer deze wordt gebruikt om vee, schapen of geiten te bewaken,
c) een hond in actieve politie-, douane-, militaire of reddingsdienst of tijdens de training of test voor een dergelijke dienst,
d) een hond die actief wordt gebruikt als speurhond voor gewond of ziek wild,
e) voor speciale doeleinden, afgebakende gebieden of bepaalde hondenrassen of -typen of voor honden die een speciale opleiding hebben, wanneer dit door de gemeente bij verordening of besluit is bepaald. Daarmee kan de gemeente onder andere: een gebied aanwijzen als trainingsgebied voor honden, indien toestemming als bedoeld in artikel 8, eerste lid, beschikbaar is,
f) de hond wanneer deze tussen 20 augustus en 1 april wordt gebruikt voor de jacht, de jachthondentraining en de jachtproeven, dan wel wanneer hij overeenkomstig artikel 6, tweede lid, onder c, d en e, moet worden aangelijnd.
Honden als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met d, of in de bepaling betreffende bijzondere gebruiksdoeleinden volgens onder e, mogen op een zorgvuldige wijze worden losgelaten, die voortvloeit uit de natuurlijke aard van het gebruiksdoel.
Een hond die als jachthond wordt gebruikt of hiervoor wordt getraind of getest, mag op een zorgvuldige manier worden vrijgelaten, die past bij het beoogde gebruik, mits dit niet in strijd is met de Wet natuurbescherming 1 of de regels omtrent het aanlijnen. Hetzelfde geldt voor de training en het testen van speurhonden.

Falkeriset in Rauland, een populair recreatiegebied voor wandelaars met en zonder viervoeters.
